- oud
- {{oud}}{{/term}}1 [m.b.t. de leeftijd van personen] âgé de2 [van personen en zaken] vieux/vieil/vieille3 [m.b.t. de klassieke Oudheid] classique♦voorbeelden:1 dat kind is zes weken oud • l'enfant est âgé de six semaineshoe oud ben jij? • quel âge as-tu?plotseling ouder worden • prendre un coup de vieuxouder worden • vieillireven oud zijn als … • être du même âge que …oud genoeg zijn om … • être en âge de …de ouden van dagen • les personnes âgéeszij is 2 jaar ouder dan ik • elle a 2 ans de plus que moi2 de oude dag • la vieillessevele honderden jaren oud • plusieurs fois centenaireeen al wat oudere man • un homme d'un certain âgeoude rommel • du bric-à-braceen oude uitdrukking • une expression désuètehij wordt oud • il se fait vieuxte oud zijn om • avoir passé l'âge devroeg oud • vieux avant l'âgePlinius de oudere • Pline l'ancien〈spreekwoord〉 zoals de ouden zongen, piepen de jongen • bon chien chasse de race〈spreekwoord〉 hoe ouder hoe gekker • plus vieux, plus sot¶ 〈zelfstandig〉 oud en jong • tout le monde〈zelfstandig〉 oud en nieuw vieren • fêter la Saint-Sylvestre; 〈met feestmaal en geschenken〉 réveillonneroude vrienden en kennissen • de vieux amis et (de vieilles) connaissanceszij is nog niet helemaal de oude • elle est encore convalescentealles blijft bij het oude • il n'y a rien de changéalles bij het oude laten • ne rien changer→ {{link=jong}}jong{{/link}}²
Deens-Russisch woordenboek. 2015.